Pianosonate
1- Moderato
2- Adagio - Intermezzo
3- Andante
4- Presto- Prestissimo
In dit stuk speelt
de gulden snede verhouding (2:3:5:8:13...) een belangrijke rol.
Deze verhouding is toegepast op verschillende niveau's:
a) de tijdsduur van de vier afzonderlijke delen
b) de tempi moderato ( kwartnoot = 90), adagio ( achtste noot =
72), andante ( kwart = 54) en presto/prestissimo ( kwart = 144/218)
c) de maatverhoudingen waarbij de e de eenheid vormt (bv. 3/8 gevolgd
door 5/8 maat)
d) de ritmiek en nootlengten.
Enkele uitzonderingen daargelaten bestaan de vier delen uit een
gelijk aantal maten. Daar de grotere eenheden (bv. 34/8 en 55/8
) te onoverzichtelijk bleken en dus onpraktisch voor de uitvoerder,
zijn deze maten onderverdeeld in vierkwartsmaten.
De oorspronkelijke eenheden kenmerken zich individueel door een
afzonderlijk karakter gevormd door bv. langzame eenstemmigheid,
snelle dalende of stijgende of contrapuntische loopjes, accoordherhalingen,
versieringen als trillers en voorslagen, stijlcitaten, modale veranderingen
per maat etc. De toegevoegde introductie voor het laatste deel (presto)
doorbreekt de verhouding en is als geheel ook een afzonderlijk karakter
zoals dat in de rest van het stuk per maateenheid het geval is.
De toonhoogtebepaling voor het gehele stuk is strict seriëel.
Basis hiervan is een viertonige 'macro'-reeks waarvan de eerste
noot ten grondslag ligt aan het eerste deel, de tweede aan het tweede
etc.( vooral in het derde deel komt de toon uit de 'macro'-reeks
duidelijk naar voren). Aan ieder van deze vier 'macro'-reeksnoten
zijn weer zeventonige chromatische 'midden'-reeksen verbonden waaraan
aan ieder van deze zeven tonen weer 'micro'-reeksen verbonden zijn.
Vooral in het tweede deel (adagio) zijn de ritmiek en de registerwerking
strict vastgelegd (op de regelmatige accoordherhalingen na). Het
derde deel en vooral het laatste (met al z'n glissandi en clusters)
zijn weer wat vrijer rondom de seriële werkwijze gecomponeerd.
|